Mopsvleermuis

Uiterlijk

De Mopsvleermuis (Barbastella barbastellus) is een middelgrote soort; het gewicht bedraagt 6-14 gram, de spanwijdte 260-290 mm en de onderarmlengte 36-43 mm. De snuit is gedrongen; de neusopeningen zijn naar voren gericht, de oorschelpen breed en de oorranden aan de basis met elkaar vergroeid. De buitenrand van het oor heeft in het midden een opvallend uitsteeksel. De tragus is driehoekig en heeft een lang uitlopende punt. De mondopening is smal. De vacht is lang, de rug is zwartbruin met witte of gelige punten, de buik donkergrijs. De vleugels zijn smal en lang. Het spoorbeen reikt tot de helft van de lengte van de staartvlieghuid en heeft een smalle spoorlob met een uitsteeksel.

 

mops-vleermuis-rollin-verlinde.jpg

Biotoop en jachtgedrag

De Mopsvleermuis komt voor in bosrijke streken in (voor)gebergten. Hij vliegt in de vroege schemering uit. De vlucht is snel en behendig; hij jaagt dicht boven boomkruinen, langs bosranden en tuinen, en voedt zich vooral met kleine vlinders. Blijkbaar is de Mopsvleermuis gespecialiseerd in het vangen van geluidsgevoelige prooien.

 

Verspreiding

In Europa komt de Mopsvleermuis tot de 60e breedtegraad voor, maar nergens in grote aantallen. In Nederland en België wordt hij slechts zelden aangetroffen.

verspreidingsatlas.nl
Mopsvleermuis

 

Verblijfplaatsen

De zomerverblijven bevinden zich in spleten van gebouwen, achter vensterluiken en in boomholten. De vrouwtjes vormen groepen van 10-20 dieren en zijn trouw aan hun vaste kolonieplaatsen. 's Winters verblijft de Mopsvleermuis in grotten, groeven, kelders, bunkers e.d. In zulke verblijven is hij vaak dicht bij de ingang aan te treffen. Hij overwintert zowel vrij hangend aan het plafond als in nauwe spleten. In grote winterverblijven bevinden zich soms meer dan 1000 dieren. De afstand tussen zomer- en winterverblijf is kort.

 

 

Bron: W. Schober & E. Grimmberger, Gids van de vleermuizen van Europa (Baarn 2001).