Bechsteins vleermuis

Uiterlijk

De Bechsteins vleermuis (Myotis bechsteinii) is een middelgrote soort met een gewicht van 7 tot 13,5 gram, een spanwijdte van 250-285 mm en een onderarmlengte 39-47 mm. Het meest opvallend zijn de oren, die in vergelijking met andere Myotissoorten erg lang zijn. De buitenrand heeft 9 plooien, de tragus is lang en lancetvormig en reikt tot halverwege het oor. De vacht is relatief lang, de rugzijde is vaalbruin tot roodachtig bruin en de buikzijde lichtgrijs. Het spoorbeen is recht en reikt tot eenderde tot de helft van de staartvlieghuid.


Biotoop en jachtgedrag

Deze soort komt vooral in bossen voor, voornamelijk in gemengde vochtige bossen. Hij vliegt pas uit bij het vallen van de duisternis. Hij heeft een fladderende vlucht en vliegt behendig in kleine ruimten. Hij jaagt op 1-5 meter hoogte en vangt ook prooien van takken en bladeren af. Het voedsel bestaat vooral uit vlinders en tweevleugeligen, spinnen, oorwormen, en rupsen en niet-vliegende loopkevers.

  

Verspreiding

De Bechsteins vleermuis komt voor in de gematigde gebieden van Europa. In Nederland is de Bechsteins erg zeldzaam. Winterslapende dieren worden soms in Zuid-Limburg aangetroffen en recent ook in Gelderland.


Verblijfplaatsen

Zomerverblijven bevinden zich in boomholten en vleermuiskasten en soms in gebouwen. Vrouwtjes verblijven in kraamkolonies van 10-30 dieren, die iedere paar dagen verhuizen. Solitaire dieren verblijven ook in groeven, grotten en achter loshangende boomschors. 's Winters verblijft hij in (ijs)kelders, groeven, grotten en soms in boomholten. Meestal hangen de dieren solitair in hun winterverblijven. De winterverblijven bevinden zich op korte afstand van de zomerverblijven.

 

 

Bronnen: 

  • Lange R., Twisk, P., Winden, A. van, Diepenbeek, A. van (red.). Zoogdieren van West-Europa. KNNV, VZZ, 1994, p. 52-53
  • H.J.G.A. Limpens, K. Mostert, W. Bongers (red.). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. KNNV, 1997, 91-100
  • W. Schober, Eckhard Grimmberger; Peter Lina (vert. en bewerk.). Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion, 2001, 133-136

 

Tekst: Saskia Roselaar