Verstoring, knelpunten en oplossingen

De ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland voltrekken zich in hoog tempo: de aanleg van nieuwe wegen, het vervangen of verbreden van oude wegen, het anbrengen van verlichting, aanleg van nieuwe woonwijken en renovatie van huizen. Voor vleermuizen vormen deze activiteiten potentiële gevaren.
Mensen en vleermuizen stellen andere eisen aan het landschap. Bij veranderingen in het landschap kunnen voor vleermuizen problemen ontstaan.

 

Knelpunten en oplossingen

Helaas nemen de kwaliteit en de omvang van het leefgebied van vleermuizen in Nederland af. Een reeks van oorzaken zorgt ervoor dat vleermuizen steeds meer in de knel komen. Deze knelpunten zijn te ordenen in drie categorieën.

  1. Verdwijnen leefgebied
  2. Versnippering
  3. Verstoring verblijfplaatsen 

 

1. Verdwijnen leefgebied

Voedselgebieden kunnen verdwijnen of in kwaliteit afnemen. Factoren die indirect van invloed kunnen zijn op het verdwijnen van voedselgebieden zijn verstoring door recreatie, de kap van houtwallen en bomenrijen, intensivering van landbouw en verlaging van polderpeilen. De leefomgeving is nog wel aanwezig maar is in kwaliteit afgenomen. Het landschap biedt minder beschutting, de hoeveelheid voedsel neemt af en oriëntatiepunten verdwijnen.
Aanleg van wegen en huizenbouw langs het water zijn een directe oorzaak van het verlies van geschikte jachtgebieden. Door een goed beheer van waterkwaliteit en het behoud van natuurlijke oevers kunnen veel voedselgebieden, ondanks ruimtelijke ontwikkelingen behouden blijven.

2. Versnippering

Versnippering ontstaat als verbindingsroutes worden doorsneden en barrières worden gecreëerd. Voor vleermuizen zijn waterwegen en bomenrijen belangrijke verbindingsroutes. Autowegen en spoorwegen die waterwegen en bomenrijen doorsnijden kunnen voor vleermuizen grote barrières vormen. De dieren zien een autosnelweg als een vlakte zonder oriëntatiepunten. Ze zullen een weg niet zomaar oversteken. Ook andere wegen kunnen een hindernis zijn als de vleermuizen deze over moeten steken. Als ze het toch doen ontstaat het risico dat ze worden doodgereden. Aangezien de meeste vleermuizen een groot jachtgebied nodig hebben, met een aaneengesloten netwerk van verschillende type voedselgebieden, is het voor hen moeilijk te leven in een versnipperd landschap. Voor het voortbestaan van een verbindingsroute is het van belang om doorgangen onder wegen door te behouden of te realiseren, in de vorm van bruggen over water of ruime duikers onder wegen door.

 

 

3. Verstoring verblijfplaatsen

Een aantal vleermuissoorten, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de meervleermuis wonen in de zomer alleen in door mens gecreëerde ruimtes, zoals in woonhuizen en op kerkzolders. Bewuste of onbewuste verstoring van verblijven is een ernstige bedreiging voor de populatie. Een ernstige verstoring waarbij een gehele verblijfplaats wordt vernietigd, is een achteruitgang van een aanzienlijk deel van de totale Nederlandse populatie. Een verblijf kan onbewust verstoord worden, bijvoorbeeld tijdens renovatiewerkzaamheden. Zo kunnen uitvliegopeningen worden dichtgemaakt tijdens gevelwerkzaamheden. Tijdens dakrenovaties van woonhuizen in de zomer worden zogende of zwangere vrouwtjes gedwongen te verhuizen. Bewuste verstoring is een veel ernstiger en een niet te controleren probleem. Huiseigenaren met vleermuizen in huis beschouwen de dieren als een plaag en lossen 'hun' probleem vervolgens eigenhandig op door bijvoorbeeld de spouwmuur op te vullen met isolatiemateriaal. Om zowel de bewuste als de onbewuste verstoring op te lossen is goede voorlichting over het nut van vleermuizen aan particulieren zeer belangrijk.

 

 

Verlichting

 

Naast huizen -en wegenbouw en andere ruimtelijke ontwikkelingen, kan ook verlichting het leefgebied van vleermuizen verstoren. Een aantal soorten, zoals de meervleermuis en de watervleermuis hebben in het algemeen een hekel aan licht. Als één zijde van een vaart door lantaarns verlicht is, vliegen ze altijd aan de onverlichte zijde. Als beide zijden van een vaart verlicht zijn, hebben ze een probleem! Indien de lengte van een verlicht traject te lang is zullen ze een route mijden. Overmatige verlichting van waterwegen, bruggen, havens en bebouwing werkt dan ook als een barrière. In de bebouwde kom worden bruggen en huizen aan het water steeds vaker om esthetische redenen in de 'spotlights' gezet. Dit is voor de functie van die kanalen en vaarten als jachtgebied en verbindingsroute van meervleermuizen een ongunstige ontwikkeling. Indien die huizen verblijfplaatsen bevatten worden deze ongeschikt. Meer- en watervleermuizen hebben baat bij een doordacht verlichtingsbeleid, bijvoorbeeld door het spaarzaam plaatsen van licht, zorgen voor afscherming, het gebruik van bepaalde typen lampen en het gebruiken van een tijdklok.

 

 

Verlichting: soms hinderlijk, soms niet

De relatie tussen vleermuizen en verlichting is een betrekkelijk ingewikkeld onderwerp. Zo mijden veel vleermuissoorten kunstlicht, maar zijn er ook enkele soorten die regelmatig rond felle verlichting op insecten jagen. Zeer gevoelige soorten, zoals meervleermuizen kunnen bij mist en harde wind (omstandigheden waarbij weinig prooidieren boven water aanwezig zijn) ook wel eens in de buurt van straatverlichting jagen. Dat lijkt tegenstrijdig, maar is het niet. Alle soorten vleermuizen vermijden licht op het moment dat ze het meest gevoelig zijn voor predatoren: op routes van hun verblijfplaats naar hun voedselgebieden. Later op de avond zoeken vleermuizen plekken op met hoge insektendichtheden. Indien voedselopbrengsten op overige plekken laag zijn, kunnen vleermuizen bereid zijn een risico te nemen en jagen rondom lantarenpalen. Zo zal een dwergvleermuis vliegend van haar verblijf een verlichte route vermijden, terwijl ze hier later jagend wordt waargenomen. Omdat het uiteindelijk effect van straatverlichting op vleermuizen negatief is (ook voor dwergvleermuizen) is het belangrijk, indien mogelijk, verlichting te beperken.

 

Auteur: A-J Haarsma