Vleermuisprotocol voor het doen van onderzoek

Voor het uitvoeren van een vleermuisinventarisatie is door het Netwerk Groene Bureaus, in samenwerking met Gegevens Autoriteit Natuur (GAN) en de Zoogdiervereniging, op 5 maart 2010 het eerste vleermuisprotocol vastgesteld. Dit protocol wordt sindsdien jaarlijks bijgesteld. In dit protocol staan richtlijnen zoals in welke periode onderzoek te doen naar winter -en of zomerverblijven, bij welke weersomstandigheden veldwerk kan worden uitgevoerd en van hoe laat tot hoe laat.

  

Doel van het protocol

Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van gebieden voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen ten dienste van ontheffingaanvragen voor de Flora en Faunawet. Het is een hulpmiddel voor deskundige vleermuisonderzoekers en de beoordelaars van vleermuisonderzoek om te bepalen wat een juridisch redelijke onderzoeksinspanning is voor een specifieke locatie.


Het protocol bundelt daartoe de bestaande kennis over onder meer de beste veldcondities, de perioden voor onderzoek, het aantal en de duur van veldbezoek. Het protocol geeft niet aan onder welke condities vleermuizen kunnen voorkomen maar onder welke condities de aanwezige vleermuizen het best kunnen worden waargenomen. 
 
Het protocol is opgesteld om onderzoek voor de Flora en faunawet optimaal te laten verlopen. Wanneer het protocol in essentie is gevolgd, bestaat grote mate van juridische zekerheid dat voldaan is aan een wettelijke en maatschappelijk verantwoorde inspanning om na te gaan of soorten en functies van gebieden in het geding zijn. In het bijzonder wanneer de aanwezigheid van gebiedsfuncties of soorten wordt uitgesloten zou een onderzoek volgens het protocol als juridisch voldoende moeten worden aangemerkt. 
 
Het toepassen van het protocol geeft grote mate van zekerheid op twee punten: 
- Dat de Dienst Landelijk Gebied geen aanvullend inventarisatieonderzoek verlangt bij een (pro forma) ontheffingsaanvraag volgens artikel 75 Ffw. 
- Dat een onderzoek stand houdt in een eventuele juridische procedure.

 Status van het protocol

Het protocol voor het inventariseren van vleermuizen is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging, in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. In expertmeetings zijn in 2008 de voorschriften ontwikkeld en op basis van toepassing gedurende het seizoen in 2008, 2009, 2010 en 2011 geëvalueerd. De voor u liggende versie is uitgebracht op 24 februari 2012.
Volgens de GaN is het protocol gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten, voldoet het aan de eisen die het bevoegd gezag stelt en biedt het eenduidigheid over het begrip “gedegen onderzoek’’ uit de Flora en faunawet. Het protocol wordt onder auspiciën van de Gegevensautoriteit Natuur aan de hand van opgedane ervaringen en nieuwe onderzoekskennis, bijvoorbeeld over het voorkomen van soorten, seizoensactiviteit of nieuw onderkende gebiedsfuncties, jaarlijks geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd. 
 
Naar de mening van bij het vakberaad betrokken vleermuisdeskundigen zijn de gebruikte data voor vleermuissoorten onder de Nederlandse omstandigheden onvoldoende gedocumenteerd en derhalve op basis van ‘expert judgement’ tot stand gekomen en grotendeels niet aan de hand van literatuurverwijzingen.
 
Het protocol is primair bedoeld om consensus te bereiken in het optimaal afstemmen van onderzoeksmethoden op de ecologie van vleermuizen. Dit om de trefkans op het vinden van aanwezige gebiedsfuncties te vergroten. Het blijft echter een trefkans, die afhankelijk van de soort en ecologie, erg verschillend is.  
Het protocol is een hulpmiddel om de kwaliteit van onderzoek beter te kunnen onderbouwen, maar op zich geen garantie voor een kwalitatief goed onderzoek. Het ecologisch adviesbureau moet zorgen voor een goede uitvoering van het onderzoek aan de hand van het protocol. Het is daarbij van belang dat een in vleermuisonderzoek ervaren ecoloog blijft nadenken over de in te zetten technieken, de tijdstippen en duur van onderzoek en de te leveren inspanning in relatie tot de kenmerken van het onderzoeksgebied.

Reikwijdte van het protocol

De reikwijdte van het protocol is afgestemd op het vaststellen van gebiedsfuncties voor het aanvragen van ontheffingen voor de Flora en faunawet, op de beschikbaarheid van kennis en op het gebruik van de naar de stand van wetenschap en techniek gebruikelijke niet invasieve technieken. De consequenties voor de reikwijdte zijn als volgt:
 
1. De wetenschappelijke basis voor dit protocol ligt in expert judgement van vleermuisdeskundigen bij adviesbureaus en de Zoogdiervereniging. Het expert judgement is gebaseerd op veldkennis, literatuurkennis en onderlinge discussie en vormt daarmee de meest actuele stand van de wetenschappelijke kennis. 
 
2. Het protocol waaronder de determinatie van de soorten is, uitzonderingen daar gelaten, gericht op het onderkennen van de specifieke soort, aangezien de identificatie van de soort juridisch noodzakelijk is. 
 
3. Het protocol dekt alle voorkomende soorten in Nederland, met name bij gebruik van detectors met time expansion (TE, tijdverlenging) met digitale recorders (opnamen). De voordelen hiervan zijn dat: vastgelegde waarnemingen vaker determineerbaar zijn, er bewijs is dat uitwisselbaar en bespreekbaar is en datum en tijd worden vastgelegd, 
Voor de meest voorkomende situaties en soorten is voldoende kennis beschikbaar om protocolhandelingen (aantal bezoeken, tijdsduur, condities voor veldwerk) te beschrijven in het veldprotocol. Overige soorten en situaties vragen in voorkomende gevallen extra aandacht bij geprotocolleerde bezoeken of ‘nader onderzoek’.
 
4. Vleermuisinventarisatie blijft maatwerk dat niet volledig in protocollen is te vangen. De protocollen zijn een hulpmiddel voor de ecologisch geschoolde waarnemer en geen blind te volgen voorschriften. Afwijken van de protocollen kan nodig zijn en dient in de rapportage verantwoord te worden. De beschikbaarheid van tijd en geld mag echter niet bepalend zijn voor het volgen van het protocol, de motivatie kan alleen ecologisch inhoudelijk, bijvoorbeeld dat de (goed te omschrijven) weersomstandigheden hebben geleid tot andere waarneemperioden.
 
5. De benodigde personele en materiële inzet (zoals een luisterset) wordt in het protocol niet voorgeschreven. De inzet is afhankelijk van de omvang en complexiteit van het onderzoeksgebied of de te onderzoeken objecten. Voorschriften daarvoor zijn met de huidige stand van de kennis niet beschikbaar, de inzet is gebaseerd op de deskundigheid van de onderzoeker (zie ook punt 1. van het werkblad 1. aanwijzingen voor gebruik). Gebruik van het protocol leidt tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van soort(en) en  gebiedsfuncties, en niet altijd automatisch tot het bepalen van het belang van aanwezige gebiedsfuncties voor de instandhouding van lokale (sub)populaties. Daarvoor kan nader onderzoek vereist zijn, zoals het vaststellen van het aantal aanwezige individuen, bijvoorbeeld in het kader van onderzoek naar compenserende maatregelen.
 
6. Het protocol gaat uit van de meest gebruikte technieken: zichtwaarnemingen (inclusief beeldmateriaal), geluidswaarnemingen (inclusief opnamen en sonogrammenanalyse), handwaarneming en (sporen)vondsten van dieren. Andere technieken zijn beschikbaar maar vragen meer specifieke werkwijzen.

 

 

 Korte inhoud van het protocol

1. De in te zetten personele capaciteit moet afgestemd worden op omvang, de complexiteit van het gebied of gebouw en de aard van de ingreep en de in te zetten methoden. 
Als vuistregel hierbij kan worden gedacht aan het volgende: Als in het donker meer dan een kwart van het onderzoeksgebied niet valt te (over)zien of te beluisteren, moet een extra waarnemer of een luisterset ingeschakeld worden. Daarbij geldt voor die extra waarnemer weer dezelfde regel, tot dat het hele onderzoeksgebied goed in beeld is. 
Wanneer het niet de vraag is of een vleermuisfunctie kan worden uitgesloten, maar welke soorten voorkomen, dan kan al lopend, fietsend of autorijdend met een detector en/of zicht worden gewerkt.

2. De keuze van in te zetten methoden en technieken dient aan te sluiten bij de situatie en de te verwachten soorten. De keuze vereist kennis van de nieuwste methoden en technieken zodat een afweging kan worden gemaakt welke van de beschikbare methoden en technieken het meest geschikt en/of efficiënt is. Als uitgangspunt is in dit protocol daarbij het ecologische principe van de niche gehanteerd. Daaruit volgt dat soorten van elkaar verschillen en dat elke soort eigen specifieke tijden, data en perioden voor optimale waarneming heeft. Mede hierdoor is het tabblad 'werkwijzen' gecompliceerd.
Wanneer op een locatie de uitvliegopeningen bekend of overzichtelijk zijn of door veel individuen gebruikt worden, kan voor elk veldbezoek worden volstaan met avond. Onbekende, meerdere of vermoede uitvliegopeningen kunnen vaak het beste 's ochtends aan de hand van het inzwermen worden gevonden.


3. Andere omgevingscondities kunnen leiden tot ander gebruik van het gebied. Bij regenachtig winderig weer bijvoorbeeld wordt op andere plaatsen gefoerageerd dan bij warm en rustig weer. Onderzoek onder meerdere, verschillende condities is dus wenselijk. 
Houd er rekening mee dat een geschikte verblijfplaats in de loop van het jaar verschillende functies voor verschillende soorten of het andere geslacht kan hebben.
 
4. Uit oogpunt van dierenwelzijn dient verstoring voorkomen te worden, bijvoorbeeld door zo min mogelijk te vangen en te hanteren, lichtbronnen te gebruiken die de minste warmte afgegeven (LED) en de mogelijk hinderlijke waarnemingsperiode zo kort mogelijk te houden.
 
5. De waarnemingen voor een gebiedsfunctie kunnen beëindigd worden wanneer alle potentieel voorkomende soorten en functies voldoende zijn vastgesteld, ongeacht de voorgeschreven waarnemingsduur in de protocollen. Echter bij paarverblijfplaatsen van territoria gebonden soorten en kraam- en zomerverblijfplaatsen, moet het volgende worden bedacht. 
Soms is kort na zonsondergang de baltsactiviteit in een gebied veel lager dan een aantal uur na zonsondergang. Ophouden na een ronde door het gebied waarbij enkele paarverblijfplaatsen zijn gevonden is dan niet goed, omdat het aantal paarverblijfplaatsen dan nog flink kan toenemen. Dit kan relevant zijn voor de beoordeling van de gunstige staat van instandhouding van de (locale) populatie. 
Het vaststellen van een kraamverblijfplaats maakt een tweede of derde ronde niet overbodig. Zo kan bijvoorbeeld de omvang van de kraamgroep flink zijn toegenomen, kan de samenstelling veranderen, bijvoorbeeld door gemengde kraamgroepen, of kan de groep op een andere locatie zitten. Dat heeft invloed op de beoordeling van het effect van de ingreep en de kwaliteit van het juridisch-ecologisch advies.

 

6. Het protocol kan bij toepassing zodanige gegevens opleveren dat naast soorten en gebiedsfuncties ook het belang van de gebiedsfuncties voor de duurzame instandhouding van de populatie kan worden vastgesteld. Aanvullend onderzoek kan echter nodig zijn. Indien bijvoorbeeld tijdens een avondbezoek een verblijfplaats wordt vermoed maar deze of de precieze locatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld moet los van het protocol zo snel mogelijk en bij voorkeur 's ochtends, opnieuw worden gekeken
 
7. In elk geval voor de soorten meervleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en rosse vleermuis en bij toetsing van ingrepen als de bouw en gebruik van windturbines en hoogbouw, moet bij aanwijzingen voor migratieroutes (zie kaart met indicatieve migratieroutes meervleermuis) in het onderzoeksgebied aandacht worden besteed aan deze gebiedsfunctie bij veldwerk en beoordeling conform: ww.eurobats.org/publications/publicatio...ries_no3_english.pdf 
 
8. Voor sommige situaties is een speciale aanpak noodzakelijk. Daarvoor dienen specialistische bureaus ingeschakeld te worden, bijvoorbeeld bij de toepassing van mistnetten voor determinatie of sexen in de hand of het bepalen van de conditie en voortplantingsstatus. 
 
9. In het protocol wordt een aantal methoden van determineren aangegeven. Voor soms aanvullend benodigde specialistische apparatuur kunnen specialistische bureaus worden ingeschakeld. 
 
10. De invloed van een aantal inventarisatiecondities is locatiespecifiek, bijvoorbeeld rust, geluid, licht, neerslag of vaak als verblijfplaatsen gebruikte objecten of gebieden. Deze inventarisatiecondities en plaatsen zijn in dit protocol in groen weergegeven en niet bindend of volledig.
 
11. Een aantal inventarisatiecondities kent optimale en suboptimale waarden, zoals de waarneemperiode. De suboptimale waarden zijn in het protocol tussen normale haken weergegeven. Nadere aanwijzingen of verduidelijking staan tussen blokhaken. Bij inventarisatie onder deze omstandigheden kan niet voor elke plek en elk jaar volledig uitsluitsel geven worden dat soorten (niet) voorkomen. Indien het weer of de seizoenen of ecologische overwegingen dat nodig maken, kan maximaal één van de verplichte bezoeken in een suboptimale periode plaats  vinden. Het uitsluiten van de aanwezigheid van een soort of een functie in een onderzoeksgebied kan nooit alleen op basis van onderzoek in de suboptimale periode plaats vinden.
 
12. Lege cellen in het protocol geven aan dat die functie voor die soort in Nederland niet bekend is of dat voldoende kennis ontbreekt.
 
13. Voor de rapportage geldt dat de handreiking Flora- en faunawet gevolgd moet worden, zoals het vermelden van weersomstandigheden tijdens het veldwerk, in het verslag.
 
14. Het bewijs voor de aanwezigheid van een lastige soort of voor een soort in afwijkende situaties, is in het kader van dit protocol, een sonogram van een op het waarneemmoment geregistreerde digitale opname van een tijdverlenging detector (TE) of een foto waarop de soortkenmerken onmiskenbaar zijn te zien.

6. Het protocol kan bij toepassing zodanige gegevens opleveren dat naast soorten en gebiedsfuncties ook het belang van de gebiedsfuncties voor de duurzame instandhouding van de populatie kan worden vastgesteld. Aanvullend onderzoek kan echter nodig zijn. Indien bijvoorbeeld tijdens een avondbezoek een verblijfplaats wordt vermoed maar deze of de precieze locatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld moet los van het protocol zo snel mogelijk en bij voorkeur 's ochtends, opnieuw worden gekeken
 
7. In elk geval voor de soorten meervleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en rosse vleermuis en bij toetsing van ingrepen als de bouw en gebruik van windturbines en hoogbouw, moet bij aanwijzingen voor migratieroutes (zie kaart met indicatieve migratieroutes meervleermuis) in het onderzoeksgebied aandacht worden besteed aan deze gebiedsfunctie bij veldwerk en beoordeling conform Eurobats publicatie no. 5
 
8. Voor sommige situaties is een speciale aanpak noodzakelijk. Daarvoor dienen specialistische bureaus ingeschakeld te worden, bijvoorbeeld bij de toepassing van mistnetten voor determinatie of sexen in de hand of het bepalen van de conditie en voortplantingsstatus. 
 
9. In het protocol wordt een aantal methoden van determineren aangegeven. Voor soms aanvullend benodigde specialistische apparatuur kunnen specialistische bureaus worden ingeschakeld. 
 
10. De invloed van een aantal inventarisatiecondities is locatiespecifiek, bijvoorbeeld rust, geluid, licht, neerslag of vaak als verblijfplaatsen gebruikte objecten of gebieden. Deze inventarisatiecondities en plaatsen zijn in dit protocol in groen weergegeven en niet bindend of volledig.
 
11. Een aantal inventarisatiecondities kent optimale en suboptimale waarden, zoals de waarneemperiode. De suboptimale waarden zijn in het protocol tussen normale haken weergegeven. Nadere aanwijzingen of verduidelijking staan tussen blokhaken. Bij inventarisatie onder deze omstandigheden kan niet voor elke plek en elk jaar volledig uitsluitsel geven worden dat soorten (niet) voorkomen. Indien het weer of de seizoenen of ecologische overwegingen dat nodig maken, kan maximaal één van de verplichte bezoeken in een suboptimale periode plaats  vinden. Het uitsluiten van de aanwezigheid van een soort of een functie in een onderzoeksgebied kan nooit alleen op basis van onderzoek in de suboptimale periode plaats vinden.
 
12. Lege cellen in het protocol geven aan dat die functie voor die soort in Nederland niet bekend is of dat voldoende kennis ontbreekt.
 
13. Voor de rapportage geldt dat de handreiking Flora- en faunawet gevolgd moet worden, zoals het vermelden van weersomstandigheden tijdens het veldwerk, in het verslag.
 
14. Het bewijs voor de aanwezigheid van een lastige soort of voor een soort in afwijkende situaties, is in het kader van dit protocol, een sonogram van een op het waarneemmoment geregistreerde digitale opname van een tijdverlenging detector (TE) of een foto waarop de soortkenmerken onmiskenbaar zijn te zien.

Ga eerst na welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld (binnen 20 km van het plangebied, denk daarbij indien nodig ook buiten de landsgrenzen). Daarna dient gekeken te worden welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Hiervoor kan de onderstaande checklist of geheugensteun worden gebruikt. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. De hieronder aangegeven soorten en/of soortgroepen zijn niet dekkend. Hou rekening met het voorkomen van zeldzaam voorkomende soorten.

te worden welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Hiervoor kan de onderstaande checklist of geheugensteun worden gebruikt. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. De hieronder aangegeven soorten en/of soortgroepen zijn niet dekkend. Hou rekening met het voorkomen van zeldzaam voorkomende soorten.


Checklist

1. Dikke bomen

Is in of grenzend aan het plangebied één (of meerdere) dikke boom (doorsnede globaal > 3 dm op borsthoogte) aanwezig?
 
 a.  Zijn holtes, spleten, scheuren, losse bast uit te sluiten?
Zo niet, nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van boombewonende soorten. 
 
 b. Maakt de boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding
Nader onderzoek naar vliegroutes van alle (in de omgeving) voorkomende vleermuissoorten. 
 
 c. Vormt de boom (bomen) mogelijk foerageergebied?
Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen. 
 
 d. Vormt de boom een beschutting van een naastgelegen foerageergebied?
Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

 
2. Opgaande gewassen

Is op of grenzend aan het plangebied één (of meerdere) dunne boom (doorsnede globaal < 3 dm op borsthoogte) en/of struiken/gewassen > 1,5 meter aanwezig?
 
 a. Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding (lijnelement)?
Onderzoek naar routes van vleermuizen. 
 
 b. Zijn er zichtbare holtes spleten, scheuren, losse bast in de boom (bomen)?
Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende soorten.
 
 c. Vormt het opgaand groen mogelijk foerageergebied (let vooral op kleinschalig gebied of parkachtige omgeving)?
Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen. 
 
 d. Vormen de opgaande gewassen een beschutting van een naastgelegen foerageergebied?
Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

 
3. Open water

Is er open water aanwezig? 
 
 a. Is er water?
Aandacht voor leefgebied (foerageergebied en vlieg- en/of migratieoute), tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis ruige dwergvleermuis, watervleermuis (> 1m breed) en meervleermuis (> 2m breed).
 
 b. Is er water in tenminste iets besloten gebied? 
Ook aandacht voor leefgebied (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) gewone dwerg-, baard-, brandt’s-, ingekorven, franjestaart, grijze en gewone grootoorvleermuis en laatvlieger in nader onderzoek. 
 
 c. Is er water in open gebied?
Ook aandacht voor leefgebied (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) tweekleurige-, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis  en laatvlieger in nader onderzoek. 
 
 d. Heeft het water een mogelijk essentiële functie als drinkwater?
Aandacht voor functie voor alle soorten vleermuizen.

 
4. Open gebied

Is er open gebied (> 1 ha)?
 
 a. Bestaat het plangebied uit moeras, grasland, akker of anderszins (denk bij < 500 meter van water breder dan 2 meter extra aan meervleermuis)?
Nader onderzoek naar gebruik door rosse vleermuis, meervleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis en ruige dwergvleermuis.

 5.  Gebouwen

Zijn er gebouwen aanwezig?
 
 a. Biedt het gebouw(en) mogelijk winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor vleermuizen (denk aan de spouwmuur, dakpannen, kelders, luiken aan de muur, gevelbekleding, zolders, daklagen, kruipruimtes etc.)? (bouwtekening ter inzage vragen).
Nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.
 
 b. Zijn er sporen van aanwezigheid, poepsporen, keutels, vraatsporen en dergelijke?
Dan nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen. 
 
 c. Mogelijk foerageer gebied?
Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

6. Grotten, groeves, kelders en andere objecten


Zijn er grotten en/of groeves en/of kelders, bruggen, tunnels en/of andere objecten met ruimten? 
a. Zijn deze geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen?

Dan nader onderzoek naar  onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, met de nadruk op winter-, en paarverblijfplaatsen?

7. Grootschalige landschapselementen 


Zijn er grootschalige lijnvormige landschapselementen zoals kustzones, grootschalige dijken, duinenrijen, rivierdalen of waterpartijen die een verbindingsroute zouden kunnen vormen tussen zomer- en winterleefgebieden (zie kaart bijlage 7 op werkblad 1. aanwijzingen voor gebruik).
 
Dan nader onderzoek naar mogelijke migratieroutes van meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis in voor- en najaar.


Randvoorwaarden en vervolg

De conclusies uit de veldverkenning in combinatie met deze checklist, gekende verspreiding, de ligging in het landschap, de relatie met het landschap en de uitgebreide tabel van het protocol, geven de onderzoeksinspanning (tijdstip, omstandigheden frequentie per te onderzoeken soort) voor het nader onderzoek aan. Er is zowel in deze checklist als bij de uitgebreide tabel uit het protocol aangenomen dat de onderzoeker een ervaren ecoloog is die kennis heeft van het landschap en potentieel geschikte habitats voor vleermuizen kan identificeren. 
Er is getracht een beknopte werkbare tabel te maken, uitgaande van voldoende basiskennis van ecologie bij vleermuizen van de uitvoerende ecoloog.

2.1 De definities van de gebiedsfuncties
   

  • Verblijfplaats:

    Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat).

  • Zomerverblijfplaats:

    Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap  zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is.


  • Kraamverblijfplaats:

    Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen.

  • Paar(verblijf)plaats:

    Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Dit is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen.

  • Winterverblijfplaats:

    Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nog al eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massawinterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden.

  • Vliegroute:

    Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa.

  • Migratieroute:

    Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of leefgebied en visa versa.

  • Foerageergebied: Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

Houd er rekening mee dat een geschikte verblijfplaats in de loop van het jaar verschillende functies voor de soort, verschillende soorten of het andere geslacht van de soort kan hebben.

2.2 De definities van de criteria bij werkwijzen

  • periode van: data waartussen er maximale en suboptimale (tussen haakjes aangegeven) kansen zijn om een gebiedsfunctie van de soort waar te nemen als die zich voordoet.
  • [maximaal donker]: 's zomers  is het op veel plaatsen ook na zonsondergang bijvoorbeeld nog  zeker een uur redelijk licht door reflectie van zonnestralen tegen de hemel of door andere omstandigheden (astronomische schemering). Een aantal soorten wordt pas actief wanneer die reflectie na ongeveer een uur afneemt. In bijvoorbeeld een bos is het voor vleermuzien vaak eerder donker genoeg.
  • starttijd t.o.v. zonsondergang:

    tijd ten opzicht van het verdwijnen van de zon onder de horizon waarop de waarneming ten minste moet zijn begonnen.

  • eindtijd t.o.v. zonsopkomst:

    tijd ten opzichte van het verschijnen van de zon boven de horizon waarop de waarneming kan worden beëindigd.

  • aantal & duur veldbezoeken: het aantal keer dat er waarnemingen moeten worden gedaan en de tijd die daarbij ten minste moet worden besteed.
  • periode tussen veldbezoeken:

    het aantal dagen, weken of maanden dat verstreken moet zijn, voordat een vervolgwaarneming als relevant kan worden beschouwd. Hierbij moet het streven er op zijn gericht om de veldwaarnemingen zo goed mogelijk te verdelen over de optimale periode voor elke waar te nemen functie per soort.

  • werkwijze bij determinatie

    technieken die kunnen worden ingezet om vast te stellen dat het die soort  betreft, staan in een voorkeursvolgorde. Als bewijs voor de aanwezigheid van een lastige soort of voor een soort in afwijkende situaties, is in het kader van dit protocol, een sonogram van een op het waarneemmoment geregistreerde digitale opname van een tijdverlenging detector (TE) meestal essentieel. Technieken tussen haakjes zijn niet altijd bruikbaar om de afwezigheid van soorten met zekerheid vast te stellen.
    Bij visuele inspectie van een object moeten alle voor vleermuis toegankelijke ruimten minutieus zijn geinspecteerd om gebruik uit te kunnen sluiten. Veel gebouwde objecten kunnen niet voldoende worden onderzocht met behulp van zichtwaarneming, endoscoop en spiegeltje.

  • sporen: onder meer keutels, krabsporen en gebruiksvegen (bruinverkleuring van klierafscheidingen) bij een invliegopening. Sporen zijn een aanwijzing voor gebruik door vleermuizen, maar behoeven nader onderzoek om soorten en gebieds- of gebruiksfuncties aan te tonen of uit te sluiten.

  • luisterset: Speciale detector met digitale opslagmogelijkheid of combinatie van detector met digitale recorder, die automatisch vastlegt wanneer er een vleermuis valt waar te nemen, zodat deze later aan het geluid of het sonogram kan worden gedetermineerd. Dit kan worden ingezet ter tijdelijke of gedeeltelijke vervanging van een waarnemer.(
  • (massa)zwermlocatie: waarschijnlijke winterverblijfplaats of paarverblijfplaats waar een vleermuiskolonie (groep mannetjes en vrouwtjes) zich gedurende beperkte tijd (per nacht en herhaald over dagen) verzameld.
  • invasies of inzwermen: In korte tijdsperiode invliegen door een (grote) kolonie.
  • sociale roep: melodieuze roep ter informatie van soortgenoten (mogelijk eventueel als uiting van gemoedstoestand).
  • baltsroep of paarroep: melodieuze roep van mannetjes ter informatie over paringsbereidheid en/of aanduiding van locatie daarvoor.
  • torpor: tijdelijke toestand van verlaagde lichaamsfuncties (temperatuur, hartslag, ademhaling, spijsvertering) in verblijfplaats ter overbrugging van periode waarin foerageren niet kosteneffectief is.

2.3 De definities van de criteria bij veldcondities

  • temperatuur hoger dan: voor zo ver bekend is vertoont de soort het gedrag dat hoort bij de gebiedsfunctie niet beneden de aangegeven temperatuur. Als dit varieert in de loop van het seizoen  staat  die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij lagere temperaturen kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen of uitgesloten.
  • temperatuur lager dan: voor zo ver bekend is vertoont de soort de gebiedsfunctie niet boven de aangegeven temperatuur. Als dit varieert in de loop van het seizoen  staat  die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij hogere temperaturen kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen of uitgesloten.
  • windkracht minder dan: voor zo ver bekend is, vertoont de soort de gebiedsfunctie niet boven de aangegeven  windsnelheden. Als dit varieert in de loop van het seizoen  staat  die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij verschillende windsnelheden kan de functie in andere delen van het plangebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Bij  grotere windkracht kan de functie niet overal in het onderzoeksgebied betrouwbaar worden waargenomen.
  • maximale neerslag: voor zo ver bekend is vertoont de soort de gebiedsfunctie niet boven de aangegeven hoeveelheid regen, hagel of sneeuw. Als dit varieert in de loop van het seizoen  staat  die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij verschillende hoeveelheden neerslag kan de functie in andere delen van het leefgebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Bij hogere neerslag kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen.
  • benutting droge periodes: voor zo ver bekend is vertoont de soort de gebiedsfunctie in droge perioden tussen de aangegeven hoeveelheid regen, hagel of sneeuw. Als dit varieert in de loop van het seizoen  staat  die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij afwisseling van natte en droge periodes kan de functie in andere delen van het plangebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Wanneer de soort drogere perioden niet benut kan in een buiige nacht de functie niet betrouwbaar worden waargenomen.
  • droog, jaagt anders binnen: soorten die randen van grote ruimten gebruiken als verblijf, gaan in dat verblijf, of nabij gelegen soortgelijke ruimten, jagen als het buiten regent of stormt. Andere soorten jagen waar mogelijk binnen onder voor hun te natte weersomstandigheden.
  • hoeveelheid geluid: voor zo ver bekend is vertoont de soort de gebiedsfunctie niet wanneer er meer dan de aangegeven hoeveelheid verstoring is in de vorm van geluid. Bij verschillende geluidsniveaus kan de functie in andere delen van het leefgebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Als dit varieert in de loop van het seizoen  staat  die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij hogere geluidsniveaus kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen.
  • hoeveelheid licht: voor zo ver bekend is vertoont de soort de gebiedsfunctie niet wanneer er meer dan de aangegeven hoeveelheid verstoring is in de vorm van licht. Bij verschillende lichtniveaus kan de functie in andere delen van het leefgebied plaatsvinden (zie ook 1.3). Als dit varieert in de loop van het seizoen of onder andere omstandigheden staat die afwijkende waarde tussen haakjes. Bij hogere lichtniveaus kan de functie niet betrouwbaar worden waargenomen.

2.4 gebruikte symbolen
 

( ):  begrenzen een suboptimale periode, een in de loop van het seizoen afwijkende grenswaarde of een methode die niet onder alle omstandheden zekerheid biedt over de afwezigheid van soorten. Het doen van een onderzoek onder suboptimale omstandigheden of met een suboptimale methode moet nader ecologisch gemotiveerd worden. Het ontbreken van waarnemingen in een suboptimaal onderzoek sluit het voorkomen van de functie of de soort juridisch onvoldoende uit (zie ook blad 1. aanwijzing voor gebruik, punt 11).


[ ]: beschrijven een nadere toelichting, begrenzing of verduidelijking.

Het protocol bestaat uit een tabel met veldcondities en werkwijzen per vleermuissoort en per gebiedsfunctie op grond waarvan de aanwezigheid van soorten en gebiedsfuncties met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld.

  

Hieronder een voorbeeld uit de tekst van het protocol weergegeven. Het protocol vleermuizen is te downloaden van de website van het Netwerk Groene Bureaus.

uitsnede_protocol2012