Discussie over wetgeving en bescherming

In dit discussiestuk poneren we een aantal vragen over wetgeving en bescherming van vleermuizen in Nederland. Aan de hand van een vragenlijst en een discussie op het forum hopen te achterhalen hoe vleermuisonderzoekers en beschermers de Nederlandse wetgeving ervaren. De hoofdvraagstelling die we zullen bespreken is:

 

Alle vleermuizen zijn wettelijk beschermd, maar hoe moet deze bescherming in de praktijk worden vormgegeven? 

 

 

Aanleiding

In Nederland zijn alle vleermuizen goed beschermd, althans wettelijk. De ene soort is echter zeldzamer dan de ander, zo zijn de meervleermuis en de laatvlieger (beide gebouwbewonende vleermuizen) zeldzamer dan de gewone dwergvleermuis.

 

In Nederland zijn 2 wetten van toepassing op vleermuizen: 

  1. De Habitatrichtlijn (die in de Natuurbeschermingswet uit 1998 is geïntegreerd). Voor alle bijlage 2-soorten zijn de leefgebieden, de zogenaamde Natura 2000-gebieden, beschermd. Deze gebieden zijn vooral belangrijk voor de ingekorven vleermuis, de vale vleermuis en de meervleermuis. De Bechsteins vleermuis is ook een Bijlage 2-soort, maar daarvoor zijn in Nederland geen gebieden aangewezen.  
  2. De Flora- en faunawet (hieronder vallen alle Habitatrichtlijn bijlage 4-soorten). Via de flora en fauna wet artikel 9 - 11 worden vaste rust- en verblijfplaatsen (en de functionele ruimte er omheen) van vleermuizen beschermd. Alle in het wild in Nederland voorkomende vleermuizen vallen onder bijlage 4.

 

 

Alle soorten vleermuizen zijn even zwaar beschermd en vallen allen onder tabel 3 van de Flora -en Faunawet. Dit betekent dat indien er bij het uitvoeren van werkzaamheden sprake is van negatieve effecten op vaste rust- en verblijfsplaatsen, een ontheffing van de Flora- en faunawet aangevraagd dient te worden. Een ontheffing alleen kan worden verleend wanneer:

  • Er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
  • Er sprake is van een bij wet genoemd belang;
  • (vanwege habitatrichtlijn) Er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu gunstige effecten;
  • Er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

 

Voor een algeme soort als de gewone dwergvleermuis betekent dit dat:

  • Alle vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen beschermd zijn. Naast kraamkolonies en winterverblijven, zijn dit ook de paarkwartieren.
  • Vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn, ook als de dieren er niet aanwezig zijn.
  • Ook “functionele leefomgeving” is beschermd. Dat zijn de essentiële vliegroutes of foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplek te laten functioneren.
  • Vleermuisonderzoek nodig is. Op basis van de zorgplicht (art. 2) is iedere initiatiefnemer verplicht om te onderzoeken of er als gevolg van zijn/haar project vleermuizen verstoord worden. Bij het aanvragen van een ontheffing is kennis van het voorkomen van een soort en de functies die het betreffende gebied voor vleermuizen vervult nodig.

 

Als vleermuiswerkgroep vinden we het belangrijk dat vleermuizen goed beschermd zijn. Vleermuizen zijn een bijzonder kwetsbare soortgroep, omdat ze in grote groepen bijeen leven, ze zelf geen 'nesten' kunnen maken, ze generaties lang van dezelfde verblijfplekken gebruik maken en ze een relatief langzame / lage reprocuctie hebben (1, maximaal 2 jongen per vruchtbaar vrouwtje per jaar). Een kleine verstoring kan daardoor grote effecten op de populatie hebben. Om vleermuizen goed te beschermen is een strenge wetgeving alleen niet voldoende. In de praktijk blijkt ondermeer dat er, als gevolg van de wetgeving, relatief veel tijd en geld besteed wordt aan de algemeen voorkomende gewone dwergvleermuis. We vragen ons af of deze tijd en moeite niet beter en effectiever besteed kan worden aan de bescherming van de gunstige staat van in standhouding van andere vleermuizen in Nederland.

Hieronder een opsommig van de mogelijke problemen bij de bescherming van vleermuizen in Nederland. Ben je het niet eens met deze opsomming? (of juist wel) ga dan naar het forum !

  • Alle soorten zijn op dezelfde manier beschermd. In de praktijk betekent dit dat 80% van de tijd besteed wordt aan onderzoek naar dwergvleermuizen, omdat dit echte stedelijke soorten zijn en ruimtelijke ontwikkelingen veelal in de stad plaatsvinden. Zeldzamere en meer kwetsbare soorten krijgen hierdoor logischerwijs minder aandacht.
  • Enerzijds willen we vleermuizen natuurlijk behouden/beschermen, maar anderzijds is duidelijk dat er voor het functioneren van een stad ruimtelijke ontwikkelingen nodig zijn. Het is daarbij belangrijk dat de keuze voor de locatie van een bouwproject afhangt van soortgroepen met een belangrijke natuurwaarde. Op dit moment houden bouwprojecten weinig rekening met belangrijke en zeldzame soorten zoals ingekorven vleermuis en meervleermuis.
  • Bij een ontheffing horen mitigatie- en compensatiemaatregelen. Het doel van deze maatregelen is de schade voor vleermuizen te verzachten of schade goed te maken op andere plekken. Het is niet bekend of de maatregelen die worden voorgeschreven ook daadwerkelijk nut hebben voor vleermuizen. Naast vleermuisonderzoek zou ook een monitoringsverplichting achteraf moeten gelden. Alleen dan kan onderzocht worden of aaneboden maatregelen gebruikt worden
  • Ondanks dat mitigatie en compensatie soms verplicht moeten worden uitgevoerd, wordt vaak niet eens gecontroleerd of de maatregelen op een goede manier zijn uitgevoerd. Aannemers zijn geen vleermuisspecialisten, het is daarom maar zelden zo dat een bij het verkrijgen van de ontheffing voorgeschreven maatregel (zoals een vleermuiskast, een vleermuismuur of vleermuisbunker) op een voor vleermuizen bruikbare manier wordt uitgevoerd.
  • Je kunt je afvragen of onderzoek naar dwergvleermuizen in slooppanden voldoende bijdraagt aan de bescherming van vleermuizen. Van deze soort is de gustige staat van instandhouding (nog) niet in gevaar, de gevonden verblijven gaan vervolgens veelal weer verloren en het is niet nog niet onderzocht of de toegepaste compenserende maatregelen daadwerkelijk effectief zijn.
  • Om (voldoende) vaste verblijfplekken voor dwergvleermuizen te behouden, kunnen ook andere beschermingsmaatregelen worden getroffen, dan de geijkte art. 11 - ontheffing procedure. Denk bijvoorbeeld aan een vleermuisvriendelijk verlichtingsbeleid, het geschikt maken en houden van gebouwen voor vleermuizen en het realiseren van een groene hoofdstructuur in de stad.
  • In plaats van onderzoek doen waar projecten gepland zijn is het veel verstandiger om van te voren knelpunten in kaart te brengen. Met dergelijke informatie kan sneller gestart worden met een ruimtelijke ontwikkeling. Dit soort proactieve bescherming van vleermuizen wordt nu alleen nog uitgevoerd in gemeente Utrecht (en enigszins in Delft en Rotterdam).

 


Meer lezen?

Holtjer, L. 2007.  Vleermuis onvindbaar dus moeilijk te beschermen. Boomblad 5: 21-22. pdf

 

 

Auteur: Marc v/d Valk

Bewerkt door: A-J Haarsma, Carolien van der Graaf en Annemieke Ouwehand